174
Daar klopte Henk al op haar deur.
„Ik kom!” riep ze en de plaid van zich afwerpend, hinkte ze naar de deur. „Hè, wat ruik jij fris! Als een Maartse dag!” lachte ze, toen Henk haar naar beneden droeg. Alles roezemoesde door elkaar en allemaal wilden ze Bea wat vertellen toen deze haar entrée in de gelagkamer maakte.
Boven en langs de kachel op latten, lagen in bonte orde de pullovers, de wanten, de sokken te drogen, zoals dat de gewoonte was na iedere tocht en de skilopers met kleuren als boeien en schitterende ogen zaten verzadigd van genot en eigenlijk nog te vol van alles om al naar hun kamers te trekken, op de banken, die om de enorme wit stenen kachel stonden.
De Wirt, vergenoegd tussen z’n gasten rondlopend, de hond achter hem aan, beval ze aan, na de koude tocht een glaasje Entzian te drinken.
„Weet u, dat verwarmt, dat jaagt alle kou uit het lichaam. Damals im Krieg ...”
„O, hemel! daar krijgt de kolonel het weer!” steunde Tom en gauw bestelde hij drie Entzians, één voor Toet, één voor hem zelf en één voor „het hondje met een lam pootje”, waarmee hij Bea bedoelde, en stuitte daarmee des Hauptmann’s woordenvloed.
„Hanchen, zing wat voor ons?” vroeg Els en Hans Prell, een donkere Oostenrijker, die voor zang studeerde, gaf één van die aardige Tiroler liedjes ten beste, waarbij het hele gezelschap het refrein meejodelde.
„O, ’t is hier tè gezellig om naar boven te gaan,” steunde Els, maar Jet commandeerde de hele troep naar hun kamers, want het was te koud geworden om buiten te rusten.
„Til!” zei Ida Brenner. „We zouden nog eens samen praten, voel je er wat voor om op mijn kamer te komen rusten?”
„Graag,” zei Til en ze volgde haar naar boven, ont