172
sing in d’r bed gevonden, hè? Heb je haar niet horen gillen?” vroeg Bea.
„Neen, niks gehoord. Was er een muis in d’r bed?” „Je zult ’t niet weten! hou je nou maar niet zo onnozel.”
„Waarachtig, dat ik er niets van weet.”
„Nou, ze stapte in bed en toen ze zich neer liet ploffen, voelde ze iets ijskouds aan haar voeten. Een ijspegel van een meter lang en dikker dan een mans-vuist! Natuurlijk hebben jullie Isa omgekocht, die even vóór het slapen gaan in d’r bed te leggen.” „Kostelijk, zeg! maar ik weet er werkelijk niets van. Ik heb een idee, dat „das Hanchen” haar die kool gestoofd heeft. Die twee putten zich uit in het mekaar streken doen.”
„Aardig type, hè? ik hoop maar niet, dat Els haar hart aan hem verliest.”
„Na, wenn schon, denn schon,” zou Fritzl’ zeggen. „Wat is er tegen?”
„Dat „das Hanchen” een ontzettende flirt is en van de een naar de ander fladdert. Els komt net zo fijn over alle narigheid die ze had, heen.”
„Maak je geen zorgen. Els heeft hem heus wel door. Ik moet altijd lachen over die moederlijke bezorgdheid van jou voor Els. Je doet net of je stukken ouder bent, dan zij.”
„Ik ben toch een paar jaar ouder.”
„Nou ja, wat scheelt twee of drie jaar op onze leeftijd?”
„En toch heb ik altijd ’t gevoel of ik haar zo’n beetje moet bemoederen. Els is net ’n kind om met vlag en wimpel overal in te vliegen en daar wil ik haar zo graag voor behoeden.”
„Kun je toch niet. ’t Leven moet haar wijzer maken. Laat ze zich ’n paar maal stoten. Ook niet erg. En of ie nou Hanchen, of Rik, Pietje of Klaasje heet, dat doet er niet toe. Ze moet haar reeks ontgooche-