165
„Heb je pijn?” vroeg hij, toen ze, geholpen door hem en Fritzl’ probeerde op te staan.
„Ja, wel een beetje. Ik kan er niet op staan.”
„We zullen haar wat aan de kant leggen en dan zal ik Lemcke waarschuwen,” zei Fritzl’. „Gelukkig maar, dat het zo vlak bij huis gebeurde.”
Maar Lemcke, die gezien had, dat er wat gebeurd was, kwam al naar hen toe geklauterd, achter hem aan, Ida Brenner.
„Stil laten liggen,” gebood hij, toen hij hoorde hoe Bea gevallen was. „Ik ga gauw naar het hotel en kom met een slede terug.”
Bea werd warm ingestopt en allen boden ze aan bij haar te blijven. Maar Ida Brenner joeg ze naar beneden en bleef met Henk bij haar.
„Als ik m’n enkel maar niet gebroken heb,” klaagde Bea.
„Zo’n vaart zal ’t niet lopen,” troostte Ida haar.
En toen Bea even later voorzichtig in de slede gezet werd, zei ze, en er waren tranen in haar stem: „Van skiën zal in ieder geval wel niets meer komen. En ik vond het zo’n grote zaligheid.”
Bea die op huilen stond! Het sneed door Henk’s hart en hij zou, dacht hij, graag alles geven wat hij bezat om te maken, dat ze weer kon skiën.
„Afwachten maar,” troostte Ida nogmaals. „Wie weet hoe ’t meevalt.”
En Fritzl’ zei bemoedigend: „Na, wenn schon, denn schon! In de zon liggen en lekkere kostjes krijgen is ook zo kwaad niet.”
Waarop Bea alweer moest lachen.
Bea hief haar mooie, donkere ogen op naar den dorpsdokter.
„Is er helemaal geen hoop, dat ik nog op ski’s