166
kom? Als er toch niets gebroken is en alleen maar een lichte kneuzing, dan kan ’t toch zo lang niet duren.”
„Niks zu machen!” sneed de dokter direct alle hoop af. Maar als om haar te troosten liet hij er op volgen: „Als u een paar dagen rust houdt en das Fraulein Brenner u dan masseert, kunt u misschien nog op de afscheidsavond mee dansen. Nu maar goed in de zon liggen en het been stil houden.”
Bea, als een stout kind, stak haar tong uit toen de dokter zich omgekeerd had.
„Niks zu machen!” imiteerde Els hem en ze liet eveneens een gezonde, rode tong zien.
„Net twee kinderen van tien jaar!” plaagde Ida Brenner. „Nou, meissie, we zullen een van je ridders ontbieden en dan wordt je naar het zonne-terras gedragen. Je kunt nog net twee uurtjes genieten van de zon. Daarna wordt het te koud en sjouwen ze je wel naar binnen.”
„Ik kan best op één been hinken,” zei Bea knorrig.
„Kun je ook wel, maar niet de trap af. Zoet dus maar.”
Even later kwam Henk al naar boven gesneld.
„Waar ligt de lieve last?” brulde hij in het portaal.
„Hiero!” kraaide Els terug.
„Hup zei Kees!” en Henk tilde haar als een veertje op, droeg haar in z’n sterke armen naar het zonneterras.
„Die bidt de hemel, dat ze nog een poosje gedragen moet worden,” lachte Els naar Toet.
Mevrouw Heinen, die in een ligstoel lag en zich door haar man het relaas van hun mooie tocht liet vertellen, keek spinnig op, toen Bea, gedragen door Henk en met een heel escorte achter zich, behoedzaam neer werd gelegd.
„Malle vertoning,” bromde ze. „Waarom moet die jongen dat wicht dragen?”