163
kop met het dikke, golvende, al wat grijzende haar, de wakkere ogen. „Ze is niet zo jong meer, misschien loopt ze wel naar de veertig, maar wat een vitaliteit, wat een lenigheid! Ze is de beste ski-loopster van groep A.”
Als voelde Ida Brenner Til’s blik, zo keek ze plotseling op, regelrecht in Til’s starende ogen.
„Was ’t fijn?” vroeg ze vriendelijk. „Uw eerste afvaart, is ’t niet?”
„Ja,” knikte Til. „’t Was niet te zeggen heerlijk.” „Niet bang geweest?”
„Bang?” Til lachte. „Waarvoor zou ik bang zijn. Je kunt maar éénmaal je nek breken en als je ’m
breekt wat dan nog?”
„Hé, hé! wat zijn dat voor sombere geluiden op zó’n blije dag!” schertste Ida Brenner. „Kind, je bent nog piepjong, mag jij zo zorgeloos over je nek denken? Ik kan je verzekeren, dat mijn nek me heel dierbaar is en ik van harte hoop, dat ie nog jarenlang m’n bol mag dragen.”
„Kijk die levendige ogen twinkelen, terwijl ze dat zegt,” dacht Til en Ida Brenner werd haar zeer sympathiek. „Stromen energie gaan er van haar uit. Ik wou, dat ze er mij wat van kon geven.”
„Willen wij vanavond, als de anderen dansen, ’n babbeltje samen houden?” vroeg Ida. „Ik wil eens weten, waarom jij zo weinig waarde aan dat slanke halsje hecht.”
„Graag,” zei Til dankbaar.
Ze wist niet, dat Jet daags tevoren, sprekend over de verschillende jongelui, Ida attent had gemaakt op Til’s vaak zo weemoedig wezen.
„Jij bent net een mens om haar eens een reuze duw te geven,” had Jet gezegd.
„Ik zal ’t proberen,” beloofde Ida, die nooit een gelegenheid voorbij liet gaan, om anderen te helpen. Toen het laatste bord soep uit de pan was ge