157
„Straks komt de zon!” troostte Fritzl, maar niemand had behoefte aan troost, want deze eerste tour gaf hen zoveel blijdschap, dat ze het gemis aan zon niet voelden. Maar toen allengs de nevel optrok en de klare wintermorgen al begon door te schemeren, toen de eerste zonnestralen de bergen beschenen, zodat het was of de toppen ervan in brand stonden, toen de vogels in het bos begonnen te kwinkeleren, toen kwam in hun harten, die juiching, die grote blijdschap, die zich uit in zingen en jubelen.
„De lichte wolkjes aan de bergwanden voorspellen mooi weer,” vertelde Fritzl. „Het wordt een wonderschone dag!”
Na ruim anderhalf uur gestegen te hebben, waarbij drie paar ski’s door vermoeide dames op Fritzl’s stevige schouders geladen werden, streken de beginnelingen neer voor een ski-hut, terwijl de twee andere groepen verder stegen.
De ski’s werden losgemaakt, rugzakken en jasjes erover heen gelegd en de hele groep legde zich te stoven in het al koesterende zonnetje.
„Kinderen! wat is het leven mooi!” riep Tom onstuimig uit. „Ik voel me tot grote dingen in staat!” Uit de hut kwamen twee jongens, die thee, sinaasappelen en chocolade verkochten.
„Val aan!” gebood Tom. „Ik fuif op chocolade!” „En ik op thee!” zei Bob.
„Dan kan ik wel niet minder, dan de sini’s, zoals Bea altijd zo liefelijk kweelt, voor mijn rekening te nemen. Vang, Bé!” en Henk gooide haar een sinaasappel toe.
„Op de punt van onze zakmessen, dat is een keurig werp- en vangspel,” stelde Tom voor.
„Ik ben te lui,” zei Bob. „Geef ze mij zo maar.” „Ah! Jet is weg, nou durft ie weer futloos te worden,” plaagde Els en enige sinaasappelen nemend, bekogelde ze Bob er mee, die opvloog en Els een af