154
Henk voor. „Ik kan niet uit m’n ogen zien van de maf.”
„Dè sneeuwlucht,” constateerde Toet, die ook al haar ogen uitwreef.
„Vooruit, lammeren, laat je voorstellen!” drong Jet aan.
„O, kinderen, wat een zaligheid!” riep Bea uit toen ze allemaal na kennis gemaakt te hebben met de gasten en vóór ze naar boven gingen, nog even voor het huis stonden. „Dat maanlicht op die besneeuwde wegen! Gewoon een sprookje!”
„Dat is ’t,” beaamden ze allen en toen gingen ze ter ruste.
De ski-cursus was in volle gang. Iedere morgen werd er trouw geoefend op de Uebungswiese en Lemcke uitte zijn tevredenheid over het troepje sportieve jongelui, dat zich zo snel en goed aanpaste aan zijn Alpine-technik.
„Is u tevreden over uw Ski-haser’1,” vroeg Jet, die zich deze uitdrukking voor pas beginnende leerlingen nog van hem herinnerde.
„Zeer tevreden,” knikte hij.
„Moet je die mevrouw Heinen zien,” lachte Els, „die durft weer niet.”
„Die leert ’t nooit,” stelde Jet vast.
Mevrouw Heinen was de antipathie van het hele troepje.
Ze was een forse, hoog-blonde vrouw, met koel gelaat en al direct had ze Kaar landgenoten met iets van afkeuring in de ogen bekeken. Haar man was veel sympathieker, kon ’s avonds, als z’n wat conservatieve vrouw ter ruste was gegaan genoegelijk met de anderen blijven praten en al danste hij nooit mee,