152
„Selbstverstandlich,” imiteerde Els den Haupt-mann.
Til werd door het lot aangewezen Jet’s slaap-kameraad te zijn.
Toen de meisjes die eerste middag aan het avondeten kwamen, vonden ze in de eetzaal reeds de jongens, die in gesprek waren met den ski-leraar en zijn assistent.
„Een reuze-kerel,” fluisterde Jet, die hem van het vorige seizoen reeds kende, hen in.
Daar kreeg hij Jet al in het vizier en begroette haar hartelijk.
Jet stelde hem voor aan de meisjes.
Lang, gespierd, in de bruingebrande kop, de blauwe hel-flikkerende ogen, waartegen sterk afstekend het door de zon gebleekte haar, zo stond Paul Lemcke voor hen en de indruk die ze van dezen oer-gezon-den, eerlijken Tiroler kregen, was vertrouwenwekkend.
„Mag ik u meteen mijn assistent voorstellen?” vroeg hij. „Fritzl,” riep hij naar het tafeltje waar de assistent met gasten in gesprek was.
Fritzl, een knappe donkere jongen in donkergroen ski-pak met vuurrode sokken, maakte zijn opwachting, blikte de meisjes met zijn lachende, donkere ogen overmoedig aan.
„Wat een paar verschillende typen,” zei Bea, toen ze allen plaats hadden genomen aan de tafel, die voor hun gereserveerd was.
„O, dat scheelt de dag en de nacht,” lachte Jet. „Met Herr Lemcke is het geen gekheid, maken, een uiterst gestrenge ski-leraar. Maar Fritzl, daar lach je je een aap om! dat is net een hongerige hond! aan alle tafeltjes schooit ie wat, let maar op. Dat is de eeuwige hongerlijder, net als onze Tom!”
Toen de maaltijd afgelopen was, kwam de skileraar bij ze zitten om besprekingen met hen te hou