147
„Vooruit maar!” en Bea zette de koffer-gramofoon op het uitklapbare tafeltje,, het de ene plaat na de andere draaien.
„Keulen!” riep Bob, toen de trein langzamer begon te rijden. „Toch vlug, hè?”
„Jasses, als we er maar geen vreemde lui in krijgen!” mopperde Els.
Maar haar angst werd niet bewaarheid. Want, werd enige jaren terug in dit jaargetijde de trein bestormd door mensen, die naar de wintersport gingen, nu bleef alles in het eigen land.
„Als wij in ons land konden wintersporten, gingen we ook niet naar een ander land,” zei Jet, die vertelde van de vroegere bestorming van de trein.
„Net echt,” lachte Tom. „Alle mensen blijven ’s zomers ook in het eigen land omdat we er zo’n heerlijk zee’tje hebben en zulke mooie bossen! Neen, Jet, dat is verstoppertje spelen met jezelf.”
Onder vrolijk gekout, plaatjes draaien, eten, af en toe indommelen, ging de tijd gauw om.
„Bob lijdt inwendig, maar hij houdt zich taai,” plaagde Jet, toen Bob op het einde van de reis wat wit om z’n neus begon te zien.
„Nou,” Bea rekte zich eens flink uit. „’t Is nou bepaald geen appelepap te noemen, zo’n reis derde klas ineens door!”
Maar Jet, die het nu al voor de vierde maal deed, was nog zo fit als wat.
Toen het dag werd en ze zich wat opgefrist hadden, bleek bij de meesten alle vermoeidheid geweken en werd er genoten van het steeds mooier wordend bergachtig landschap.
„Zo,” zei Jet, even vóór ze het stationnetje bereikten waar de treinreis voor hen eindigde. „Pak je bagage bij elkaar en dan uitstappen, jongens!”
Toen de karavaan op het perron stond, commandeerde Jet: