146
toe aan die verbitterde trek op haar gezicht zien hoeveel ze aan liefde tekort was gekomen.
„Lekker warm zit ie,” zei hij dan dankbaar en hij dacht, dat het warme gevoel, dat hem zo plotseling doorstroomde, toen hij keek naar wat Els „Toet’s mooie profiel” noemde, niet alleen was toe te schrijven aan de warme trui.
In een hoekje, als twee parkieten, zaten Til en Els. „Ik heb niks geen zin,” fluisterde Els en ze keek wat schuw naar Jet, die over haar zat, of die kon horen wat ze zei.
„Ik op ’t ogenblik ook niet. Ik heb een gevoel of er niets in m’n hoofd is. Zo ijl en leeg. Geloof jij, dat de wintersport ons op zal knappen, we ons, zoals Jet beweert, een ander mens zullen voelen?”
„Ik weet ’t niet,” zuchtte Els. „Laten we ’t in ieder geval maar hopen.”
Til schoot opeens in een lach.
„Waarom lach je?” vroeg Els lusteloos.
„Omdat we zo’n paar prachtige portretten zijn om te gaan wintersporten. Eventjes lachen, dame, de kiek is zo klaar!”
„Ja, we zijn een fleurig stel,” gaf Els toe. „Er moet al een heleboel gebeuren, wil ik weer de oude worden.”
„Kinderen!” riep Tom, toen ze ongeveer twee uur onderweg waren. „Waar zijn de Zandwiggen? ik heb geeuwhonger!”
„Niks ervan,” gebood Jet, die op algemeen verlangen de leiding op zich had genomen. „Je eet thuis om acht uur ook niets. Tegen tien uur worden de sandwiches en de warme thee aangesproken.”
„Ik laat me niet koejeneren!” deed Tom kwasi boos en hij diepte uit z’n rugzak een blikje met koekjes op, deelde met kwistige hand rond.
„’n Plaatje, Bé?” vroeg Bob, nadat ze een poos gezellig hadden gepraat.