148
„Naar de auto-bus! het is maar een uurtje rijden en dan staan onze sleedjes klaar.”
Zelfs Til en Els werden uitgelaten, bij het vooruitzicht met paard en slede de hoogte in te gaan.
„O, wat is het hier mooi!” kreet Els.
Toen ze een uur gereden hadden, kwamen ze aan de plaats, waar de sleden klaar stonden.
„O, hoe enig! Moet dat kleine paardje ons omhoog trekken? Er gaan maar twee op iedere slede! Hoe moet ’t met onze bagage?”
Alles schreeuwde door elkaar en Jet hield haar oren dicht.
„Kalm nou even!” gebood ze. „De bagage gaat op dat kleine sleed je er achter aan.
Vooruit jongens, help even opladen!”
Maar de koetsiers namen het hun al uit handen en ze hadden niet anders te doen, dan in te stijgen.
„Wij met z’n beidjes,” zei Til en ze trok Els met zich mee. Ze gunde het Henk immers zo graag de sledevaart met Bea.
Heel stil werden ze, de jonge mensen op die tocht naar boven.
„Het is een sprookje,” fluisterde Els en haar ogen keken in verrukking naar de met sneeuw beladen bomen, reuzen, hoog opschietend tegen het blauw van de lucht, naar de kleine woudspleten, met doorkijk op de bergen in de omtrek, naar de steile berghellingen, waartegen het bos zich verhief als een leger, dat klaar stond de dierbare grond te verdedigen.
En dan kwamen ze aan het kleine Tiroler dorp, waar ze die tien dagen zouden doorbrengen.
Langs slingerpaadjes hadden de sleedjes ze er heen gebracht.
„Kijk!” Jet’s vinger wees naar een zacht glooiende helling waar overal ski-sporen te zien waren en waartegen aan het kleine berghotelletje lag.