144
„Net wat je je voorgenomen had: boeken illustreren, portretten tekenen.”
„Mooie tijd! illustreren? Ze nemen tegenwoordig allemaal foto-montage. De tekenaars kunnen zich wel ophangen. En portretten? Wie heeft er nog geld om z’n portret te laten tekenen? Een tip-toppie doet even goeie diensten. Zes voor een kwartje!”
„Je overdrijft niet zuinig, dame. Zo erg als jij ’t nu maakt, is het niet. Er zijn nog hopen tekenaars, die hun brood verdienen, ’t Is niet makkelijk tegenwoordig, dat is ’t in geen een vak. Maar voor echte goeie werkkrachten is nog altijd wel een plaatsje. Hard werken, Els, meer dan honderd procent geven, daarmee kom je nog altijd een heel eind. En hard werken helpt je over veel heen. Eigenlijk is ’t het beste wat er is, want ’t geeft de meeste voldoening. Je zult eens zien, Els, hoe die weekjes in de bergen je zenuwen zullen stalen. Je wordt weer een kei van een meid, help kijken! En nu is het maffen geblazen en stap ik op lijn elf, dan ben ik gauw thuis. Dag!”
Een stevige handdruk, een bemoedigende knik en Jet stapte op een juist aanrijdende elf.
Het was vier en twintig December.
Aan het Centraal Station was het de gewone drukte van met Kerstvacantie gaande reizigers. Menigeen keek nog eens met welgevallen om naar het troepje jongelui in ski-pakken, dat lachend en joelend voor een compartiment derde klas stond.
Verschillende familieleden en kennissen deden hen uitgeleide en er klikte een camera met Blitzlicht.
„Sturen jullie ze op, als ze goed zijn? Hotel „Die Rose”,” riepen verschillende stemmen, nadat het troepje in de coupé was gestegen en vele hoofden boven elkaar uit het portierraam keken.