139
zorgen,” dacht ze, toen ze tegen regen en wind in naar huis reed. „Ze heeft de laatste tijd heel wat doorgemaakt en al spreekt ze er nooit over, toch voel ik wel, dat die Rik-geschiedenis haar ook aangepakt heeft. Misschien heeft ze in het diepst van haar hart toch nog hoop gekoesterd, dat Rik van haar zou gaan houden. Hij was dikwijls bizonder innemend tegen haar. Hij kon zo echt werk van haar maken. Geen wonder, dat ze zich verbeeldde, dat hij van haar hield. Maar nu hij verloofd is, heeft ze toch alle hoop opgegeven. Maar ook dat zal haar verdriet hebben gegeven. Zo, nu ga ik gauw nog m’n theorie-werk afmaken en dan fijn in m’n mandje. Ik heb razende koppijn. Tenslotte gaat zoiets als die begrafenis van vanmorgen je niet in je kouwe kleren zitten.”
Ze borg haar fiets op, liep vlug de trap op, ging nog even de huiskamer binnen.
„Dag kind,” Til’s moeder keek haar aan met een innige blik in de ogen en even trok ze Til’s donkere kopje naar zich toe.
„Ik geloof, dat onze moeders vandaag extra dankbaar zijn, dat ze hun dochter nog hebben,” dacht Til en ze gaf haar moeder een stevige zoen en een begrijpend knikje.
„Nou moeten jullie eens goed horen, we gaan dus 24 December met de trein, die ’s middags om ongeveer zes uur — dat kijken we nog wel even precies na — van het Centraal station vertrekt en we reizen ’s nachts door, dat scheelt alweer één kostelijke dag.” Jet Molenaar, naast Bea op de divan gezeten, gaf inlichtingen over het verblijf in de bergen. Ze was een lang, stevig gebouwd meisje, sportief in kleding en gebaren.
„Els”, ging ze voort, „zit niet zo te staren, maar