138
ik wakker lag, heb ik heel duidelijk Door’s gezicht gezien in een krans van licht.”
„Zeg eens even, nu moet je niet ziekelijk doen,” Til trachtte haar stem flink te doen klinken.
„Als je aan één stuk door over iemand piekert, zie je het gezicht plotseling vóór je. Dat heb ik zo dikwijls gehad.”
„Hoor je hoe het plenst buiten? En het stormt! O,
Til, en nu ligt ze daar alleen ”, Els’ hoofd zonk op
de tafel en opnieuw barstte ze in tranen uit.
Til liet haar rustig uithuilen. Dan zei ze ferm:
„Zo, juffertje, nou brengen we jou eens fijn in je mandje, krijg je een aspirientje van me en probeer je maar eens lekker te gaan slapen. Als je heel braaf bent, blijf ik nog een uurtje bij je bed zitten.”
„Ik heb zo’n veschrikkelijke hoofdpijn,” klaagde Els, toen ze in bed lag.
„Dan zal ik je eens pidjitten, zul je zien, hoe dat opknapt.”
En Til’s lenige vingers masseerden Els’ hoofd.
„O, wat fijn is dat! wat geeft dat een ontspanning. Hoe kun je dat zo?”
„Weet ik niet. Ik heb ’t eens bij toeval gedaan, toen moeder erge hoofdpijn had en naderhand heb ik ’t altijd gedaan en ’t geeft moeder steeds verlichting.” „Mij ook... enig gewoon... je wordt er zo... slaperig van...”
„Goed zo,” dacht Til, toen ze Els’ ogen kleiner en kleiner zag worden. „Op het aspirientje zal ze wel stevig doorslapen.”
Ze bleef rustig naast het bed zitten.
„Ze kreunt in haar slaap, Elseviertje. ’t Heeft haar erg aangegrepen. Goed, dat ze nu als lichtpunt de wintersport tegemoet gaat.”
Toen Els vast sliep, stond Til behoedzaam op en sloop op haar tenen naar beneden.
„We moeten haar maar allemaal wat afleiding be