137
woorden, gesproken door professoren, door Directeuren van Ziekenhuizen waaraan Door haar beste krachten had gegeven, door collega’s.
Els zag alleen die kist, waarin Door lag, hun Door, die nu nooit meer raad zou geven, nooit meer spottend en dan weer zo mild zou kijken.
Een arm door haar arm.
„Flink zijn, Elsevier!” Til, met ook al betraande ogen.
Als in een droom stapte Els even later in een onafzienbare rij van mensen achter de baar aan.
„Gingen ze nu Door wegbrengen? Het kon immers niet. Ze liep achter de baar van een ander, van een heel vreemd mens, dat ze nooit gezien had.”
Het grint onder haar voeten kraakte in regelmatige cadans.
„Vreselijk gehoor is dat, al die krakende stappen. O, ik wil weg, ik kan dat laatste niet zien. TÜ, o Til....”
Aan de ene kant hield Til haar vast, aan de andere Bea, die gekomen was om Els’ geliefde nichtje de laatste eer te bewijzen.
„Stil maar,” kalmeerde ze Els. „Straks is het voorbij en kun je weer aan Door denken zoals ze bij haar leven was.”
„Kijk maar niet,” fluisterde Til, toen ze bij het open graf stonden, waarin de kist langzaam naar beneden zakte.
Toen defileerden ze allen voorbij het graf, legden er hun bloemen neer, al de jongeren, die opgeschrikt waren uit hun onbezorgd en vrolijk leventje, omdat ze herinnerd werden aan het onverbiddelijke Memento Mori.
’s Avonds — Til was bij Els gebleven — zei Els plotseling:
„En toch heb ik het geweten. Ik heb ’t gevoeld toen ik het van het meisje hoorde. En ’s nachts toen