136
der, als een klein kind, dat zich bezeerd heeft en troost zoekt bij de moeder.
Zacht over Éls’ haar strijkend dacht ze: „’t Is de eerste maal, dat de dood haar iets weg neemt, waar ze van hield. Laat ze maar uithuilen, naderhand krijgt ze berusting.”
Toen gingen haar gedachten naar die andere moeder, die haar kind moest afstaan. Steviger nog omklemden haar armen snikkende Els, alsof ze zich op die wijze beveiligen kon tegenover het vreselijke, het onafwendbare, dat die andere moeder getroffen had.
„Ik kan het niet geloven,” weeklaagde Els. „Het kan niet waar zijn, dat we Door nu nooit meer zullen
• 99
zien.
Moeder’s hand klopte bedarend op het blonde hoofd.
„O, als je toch alles vooruit kon weten! Nu ben ik in weken niet bij Door geweest. Moeder, ze heeft het misschien zelf geweten, dat ze... O, wat vreselijk! Denkt u, dat ze het wist?”
„Ik weet het niet, kindje. Ik weet alleen, dat Door het dan onder ogen zal hebben gezien met de kalmte en de berusting die we van haar kenden,” zei de moeder en tranen klonken in haar stem, tranen om het jonge leven, dat vernietigd werd en waarvan zo veel nog te verwachten viel.
„Ik kan het niet geloven,” dacht Els weer, toen ze enige dagen later, met nog zo heel velen in de aula van het kerkhof stond, het orgel een van Door’s geliefde stukken speelde, de kist, bedolven onder een schat van witte bloemen in het midden van de zaal stond.
Els liet haar tranen de vrije loop. Er waren er immers zoveel, die huilden. Ze behoefde zich niet te schamen.
Ze hoorde niet de gevoelvolle, de waarderende