35
„Als vandaag nou maar eerst voorbij is. De negende dag moet een kritieke dag zijn.”
„’t Zou toch tè vreselijk zijn! Door, die haar hele leven geblokt heeft. Wat heeft ze eigenlijk aan haar leven gehad?”
„Door zocht de vreugde in andere dingen dan jullie. Ze heeft óók haar geluksmomenten gehad.”
„Die bestonden dan alleen in helpen van andere mensen.”
„Ja, dat was haar geluk.”
„Moeder!” barstte Els los. „Zegt u toch niet was! Ze is er toch nog.”
„Gelukkig wel. Maar wind je toch niet zo op, kind! je maakt je totaal van streek. De dingen die komen moeten, komen toch en het geeft niet of we opstandig zijn.”
„O, u weet meer! u zou niet zo spreken als u nog hoop had.”
„Ik weet alleen, dat een snel dalen van de temperatuur niet zo goed is.”
„Belt u het ziekenhuis even op. Toe, moeder, doet u ’t nu. Misschien zijn er weer wat betere berichten. Ik durf ’t niet. Ik ben zo bang iets te horen. De hele dag ben ik al zo bang. Toe, doet u ’t maar even.”
Met loden schreden ging de moeder naar de telefoon.
„Wat zegt u?” hoorde Els haar vragen en in haar stem was ontzetting.
Toen lei ze de hoorn op de haak en keerde haar bleek gezicht naar Els.
„Moeder? Is ze ...?”
„Ja, kind.”
„O, neen, moeder!” gilde Els. „’t Kan niet! zegt u dat ’t niet waar is!”
Moeder’s armen omklemden haar en Els, woest snikkend, liet haar hoofd rusten aan moeder’s schou