134
dacht Til, toen ze naar Els’ huis liep. „Eigenlijk zijn die ziekenhuis-berichten altijd wat vaag.”.
Maar Els, schoon haar moeder en Til de toestand niet zó somber inzagen, was er toch niet van te overtuigen, dat de ziekte een goede keer zou nemen.
„Ik weet zelf niet wat ’t is,” zei ze nerveus, „maar ’t is net of er iets akeligs moet gebeuren. Ik zie Door’s grote ogen voor me, die soms zo weemoedig kunnen kijken.”
„Ik ken je niet,” verbaasde Til zich. „’t Is anders niet jouw gewoonte, de dingen zo somber te zien.”
„Dat is ’t ook niet,” barstte Els los. „Ik weet niet wat me scheelt. Ik voel me ziek, akelig! Alleen maar van narigheid, want gisteren was ik nog zo lekker als kip. O, Til, als ’t toch eens verkeerd zou lopen met Door! Je weet niet, hoe we allemaal als klitten aan haar hangen! Neen, hè? jij gelooft ’t niet, wel? Zeg je ’t om me gerust te stellen, of meen je ’t?”
„Ik meen ’t,” zei Til met overtuiging.
Maar Els bleef lusteloos, had geen zin in haar werk, zag bleek en leefde alleen maar op, als haar moeder, die dagelijks telefoneerde om naar de toestand van het nichtje te vragen, wat betere berichten gaf.
„’t Is weer minder goed, de temperatuur is plotseling gedaald,” zei haar moeder, toen Els— ’t was de negende dag van Door’s ziekte — ’s middags thuis kwam.
„Is ze...?” Els werd akelig bleek en haar moeder stelde haar meer gerust, dan ze zelf wel meende.
„Welneen, gelukkig niet. Alleen wat minder goed dan gisteren, ’t Gaat zo’n beetje op en neer.”
Els, haar teken-portefeuille op tafel gooiend, liet zich neer in een stoel.
„O, moeder, ik ben toch zo bang. De hele dag moet ik er aan denken.**