133
„Zuster,” zei Til wat haperend, „neem u me niet
kwalijk, dat ik u stoor, maar ”. En Til vertelde de
reden van haar komst.
„Ja, dokter Bruins? Ze is vanmorgen iets beter. De temperatuur is bijna normaal. Toevallig ligt ze op mijn afdeling en was ik vanmorgen nog bij haar. Is ze
Zuster, zei Til wat haperend . . . .
een nicht van-uw vriendin? Zo. Tja, ’t is natuurlijk een ernstige toestand en we moeten afwachten. Maar in ieder geval is ze vandaag een stuk beter dan gisteren. Zegt u dat uw vriendin maar. Waar leven is, is hoop en de patiënte is nog jong.”
„Als Els zich nou maar vast wil houden aan dat ene gezegde: „ze is een stuk beter dan gisteren” dan kan ze toch wat hoopvoller denken dan straks,”