131
„Oehoe!” deed ze.
Els keek op, kwam traag naar de overkant lopen. „Zou ze Rik weer ontmoet hebben?” schoot ’t door Til’s brein, toen ze een bleke Els voor zich zag, met verdrietige ogen.
„Wat is er, Els?” vroeg Til hartelijk.
„Ik ben zo veschrikkelijk geschrokken,” zei Els. „Heb je een auto-ongeluk gezien?”
„Neen,” schudde Els haar hoofd. „Verbeeld je, ik zou even naar Door gaan, je weet wel, m’n nichtje en daar hoor ik van het meisje, dat Door in een ziekenhuis ligt.”
„Je bedoelt toch je nichtje de dokter?”
„Ja. O, Til, ze is héél erg, zegt het meisje.”
„Wat is het?”
„Longontsteking.”
„Nou ja, dat hoeft toch niet dodelijk te zijn.” „Maar het meisje zegt, dat ze héél erg is.”
„Ze overdrijft misschien. Ga vanmiddag naar het ziekenhuis, dan kun je zelf zien hoe ’t er mee is.”
„Ze mag geen bezoek hebben, alleen haar naaste familie.”
„Ze heeft natuurlijk hoge koorts en dan is ’t ook beter, dat ze rust heeft.”
„Zo ellendig, Til, ik was in weken niet bij haar en als ik in de rats zit, hol ik altijd naar haar toe.” „Elselijn, doe niet zo tragisch. Jij stelt je het allerergste voor en hele stammen worden toch beter van longontsteking. Ik vind altijd bij die dingen, dat je hoopvol moet denken. We moeten gedachten van kracht naar haar toe zenden, allemaal en helemaal niet denken, dat het niet goed zou kunnen gaan. Toe, kijk niet zo wanhopig en probeer hoopvol te denken.” „Ik heb zo’n akelig voorgevoel,” zuchtte Els. „Nonsens, dat denkt iedereen als er ziekte in de familie is en de meeste keren loopt ’t best af en is alle onrust voor niets geweest.”