129
„Ik zou best eens naar Indië willen,” zei Els. „Jij niet, Bé?”
„Niet alleen naar Indië. Ik zou de hele wereld willen zien. Reizen is iets zaligs.”
„Indië is prachtig,” zei Toet dromerig. „En ik ben er zeker van, dat ik ’t, als ik er ooit weer terug kom, pas in z’n volle schoonheid zal waarderen.”
„Als ik er ooit terug kom?” verwonderde Els zich. „Ga je dan niet terug als je je examen achter de rug hebt?”
„Welneen. Er is daar niemand, die blij zal zijn als ik terug kom.”
„Je vader toch wel,” zei Bea.
„Vader is teveel in beslag genomen door z’n werk. Die mist me net zo min.”
Elk keek zwijgend naar Toet.
„Stel je voor,” dacht ze. „Een vader en moeder, die hun kind niet missen. Als ik acht dagen uit logeren ben, moet je dat stel ouders van mij zien? Die kunnen gewoon de tijd niet afwachten tot ik terug kom en gaan, al hebben ze ’t ook nog zoo druk, naar het station om hun spruit af te halen.”
Er was een warm gevoel in Els’ hart.
„Je stond er nooit bij stil, maar ’t was toch ’n boffie zo’n stel ouders. Ze zou moeder eens zeggen, dat ze die Toet ten eten moest vragen. Moeder ig zo’n heerlijke, huiselijke hen, en ’t zou Toet goed doen in zo’n genoeglijk milieu te komen. Want dat is ’t bij ons.” „Zeg,” zei ze dan, zich naar Toet wendend. „Jij draagt nooit van die mooie Indische sieraden. Heb je die niet? ik zou er mijn armen mee behangen. Ze dragen nu juist zoveel armbanden. En heb je mooie sarongs? ik kom eens op je kamer kijken, als je ’t goed vindt. Ik ben dol op al die dingen. Sarongs kunnen zo prachtig van tekening zijn. Mag ik eens aanwippen?”
„Graag. Maar,” er was een bittere klank in Toet’s
Naar sneeuw en zon.
9