128
treden, niet bij dilettanten. Maar eerlijk gezegd, was ik blij, toen de tijd om was en ik naar hartelust kon genieten van de vrije dagen.”
„Ik heb een idee, dat ik voor taan ook iedere va-cantie heerlijk zal vinden,” zei Toet en een dankbare blik gleed naar Bea.
Deze, zoals haar gewoonte was, langs haar sigaret-tenpijp turend dacht:
„Wat is er betrekkelijk weinig toe nodig om een mens z’n leven een andere richting te geven. Als Toet het stukje uit m’n ring niet gevonden had, zou ze nu nog net zo eenzaam en verzuurd zijn geweest als vóór die tijd. Dan zou ze d’r hart niet hebben uitgestort, m’n medelijden niet hebben opgewekt en zouden we haar allemaal een vervelend, hatelijk wicht zijn blijven vinden. Moet je die dankbare blikken van d’r zien! En waarom? Omdat ik, zonder veel opofferingen, een beetje zon in haar leven heb gebracht. ’t Is gewoon een veranderd mens! Ze spint als een poes! Ziel! Als ik een erge goeie bui heb, ga ik Zondag ergens met haar heen.”
„Wanneer moet je examen doen?” vroeg Els, die, nu ze toch Toet in hun kliekje opgenomen zag, graag het naadje van de kous wilde weten.
„Spreek er niet van, ik krijg gewoon koude rillingen als ik er aan denk. Ik geloof begin Juli.”
„Hoe ben je er eigenlijk toe gekomen om Engels te studeren? Ik zou zeker Frans gekozen hebben. Ik ben dol op Frans.”
„Ik geloof, dat ik er toe gekomen ben, omdat het enige mens op de onderneming, dat me een beetje vriendelijkheid gaf, een Engelse was. Een ogenschijnlijke koele, gereserveerde vrouw, maar in werkelijkheid erg hartelijk. Waarschijnlijk — dat heb ik pas naderhand bedacht — trok haar mijn stugge aard, die wel erg af moet hebben gestoken bij alle bewegelijke drukheid van Maatje’s vriendinnen.”