127
„Je moet toch op de krimp rekenen,” zei Els wijs. „Krijg ’t zelf!” schaterde Tom. „Eerst verkeerde handen en dan nog de krimp! Jullie kimt me afgestolen worden! ik tijg naar „Halt! Jaap!” en koop me er een.”
Maar Toet had rustig door gemeten en haar notitieboekje dichtslaand zei ze: „Tante was net om een werkje verlegen, laat die ’m nu maar breien. Je hoort wel van me wat de onkosten zijn.”
„Je bent een aanwinst,” complimenteerde Tom haar. „En nou ga ik verdwijnen, want ik moet werken. Nobele dames, gegroet!”
„Wacht even, Tom. Ik heb je nog niet gezegd, dat we Woensdagavond allemaal hier samen komen. Dan verschijnt Jet om ons te vertellen, wat we nodig hebben en horen we meteen hoeveel de reis en verblijfkosten bedragen.”
„So long!” en Tom, onder het galmen van een schone aria, verdween.
De drie meisjes keken hem lachend na.
„Dat belooft wat, als we in de sneeuw zitten met Tom,” zei Els. „Dan is ’t hek volledig van de dam.” „Veertien dagen geen Engels boek zien!” Toet rekte zich behagelijk uit. „Wat een weelde.”
„Heb je ’t land aan de studie?” vroeg Els. „Helemaal niet. Maar ik heb van dat ik in Holland ben, aan één stuk door gevost en in mijn vacanties doorgewerkt omdat ik eigenlijk niets beters wist te doen.”
Els keek haar enigszins verglaasd aan.
„Dat iemand in z’n vacantie werkt, daar kan ik niet bij.”
„En jij dan?” vroeg Toet. „Jij hebt toch ook een gedeelte van je vacantie gewerkt!”
„Nou ja, om nog een duitje bij te verdienen voor de reis, wel een bitter beetje, maar toch iets. En daarbij was ’t mijn ideaal om bij een echt gezelschap op te