102
Toet Numan gooide zich achterover in haar stoel, strekte haar benen. Uit de zak van haar badjas haalde ze een pakje kauw-gummi, stak er een van in haar mond, begon langzaam te kauwen.
Op haar effen, blank gezicht, waar het donkere haar zo fel tegen afstak, lag een gemelijke trek. Haar ogen, die van een vreemd grijs-blauw waren, keken in de richting van het kleedkamertje waarin Bea verdwenen was.
„Dat is nou net ’t enige meisje waar ik graag mee bevriend zou zijn,” mompelde Toet in zich zelf. „En natuurlijk zit die Els er weer tussen. Wat ziet Bea in dat would-be natuurlijke wicht?”
Toet’s ogen bleven op de deur van het kamertje gericht en ze kregen hoe langer hoe verdrietiger uitdrukking.
„Allemaal hebben ze iemand en ik ben altijd alleen. En waarom? Omdat ik niet vals ben en ze de waarheid in hun gezicht zeg. Bea heeft geen talent en ze zal altijd op het tweede plan blijven. Niemand zegt ’t haar, ze roddelen liever achter haar rug.”
In het volle bewustzijn, dat haar eerlijkheid iets was, dat te waarderen viel, bleef ze, de ogen half geloken, genoeglijk doorkauwen. Maar al die tijd hield ze de deur van Bea’s kleedkamertje in de gaten.
„Daar komt ze,” dacht ze, toen ze Bea naar buiten zag komen. Even later kwam ook Els uit haar kamertje en zag ze de meisjes fris en vrolijk wegstappen.
„Nou gaan ze genoeglijk samen naar Bea’s kamer en zetten thee,” dacht Toet en ze trok haar benen naar zich toe, spoog nijdig de kauw-gummi uit, plantte haar ellebogen op haar knieën, steunde haar hoofd in de handen.
„En als ik straks thuis kom is er niemand. Geen mens, die op me wacht. Niet eens ’n hond, die vrolijk tegen je op springt of een kat, die langs je benen strijkt. Tante bridge’d. Tante bridge’d ’s middags en