207
„Moest ik vanmiddag Bremer niet ontmoet hebben,” lachte hij.
„O, weet je ’t al, schurk! Wat zeg je er wel van?”
„Nou, ik ben niet zoo bovenmatig verrast. Ik heb ’t zaakje wel zien aankomen en ik niet alleen.”
„Ben ik dan zoo’n sufferd geweest? Ik heb niets gemorreken.”
„Hoeveel maal ben jij dan op „de Brem” of bij maatje geweest, ontrouw wezen?”
„Jij toch ook niet!”
„Ai!” hij krabde zich verlegen achter de ooren.
„Wat is er? biecht op!” gebood ze, terwijl ze op de leuning van z’n stoel ging zitten.
„Niets, kind,” lachte hij.
„Wil je me de waarheid zeggen, of ik strop je!” en ze omklemde met bei haar handjes z’n hals.
„Genade! Ik zal ’t je zeggen, op gevaar af, dat je weer in al je oude zonden terug valt. Ik ging iederen middag alvorens te retoumeeren in ons alles behalve gezellige home, even bij maatje of Mary aan. Ze hebben die ellendige dagen heelemaal met me meegeleefd en je weet niet, hoeveel liefs me daar steeds van je verteld werd.”
Maar hij zei haar niet, hoe ze hem aangeraden hadden te volharden in z’n booze, zwijgzame houding.
„Jullie zijn ’n kliek samenspanners!” lachte Corry. „Ik ben zóó blij, dat alles tusschen ons weer goed is, dat ik me nu niet dik ga maken over het feit, dat er achter m’n rug geknoeid is, maar, dat ik me bloedig op jullie zal wreken, dat kun je ge-looven! Ik geef een feest-diner voor het verloofde