206
pastels zoo gezet had, dat hij ze direct moest zien, als hij binnen kwam.
Ze knipte het licht aan, schoof de gordijnen voor de ramen.
„Kom maar!” riep ze en haar stem trilde.
Zoo argeloos stapte hij het atelier in en...
„O! Correkind!”
Het was de oude toon en ze voelde zich rijkelijk beloond.
Hij kon er niet genoeg van krijgen, het was of hij z’n blikken niet kon afwenden van die twee lieve gezichten, die leefden.
Dan eindelijk rukte hij er zich van los, sloot haar zwijgend in z’n armen.
Zoo veilig voelde ze zich weer in de warme omstrengeling van zijn armen. Ze had het gevoel of het nu met alle dwaasheid en overmoed voor goed gedaan was en op het kinderlijke toontje, dat ze altijd aannam, wanneer ze, zooals zij het uitdrukte „als een poes spon” zei ze:
„Itte zal nooit meer tout zijn.”
„Dat spreekt als een kind en maakt zulk werk!” zei hij trotsch. „Zul je je nu eindelijk eens gaan gedragen als een kunstenaresse als jij betaamt en niet als een overmoedige bakvisch?” vroeg hij, haar knijpend in het rose oortje.
„Ik zal me gaan gedragen als het de vrouw van het hoofd van de firma Martens, im- en export betaamt,” zei ze waardig.
„Duveltje!”
„Ijspegel! En nu naar binnen,” zei ze, draaide het licht voor z’n neus uit en troonde hem mee het huis in. „Er wacht je een tweede verrassing.”