205
„Wat rijmt op doen?” vroeg ze schalksch en ze hield haar mond op.
Maar hij vond de overgang blijkbaar te snel en stak een stukje kip in z’n mond.
„Hoen dus!” lachte Corry en hij schoot mee in den lach.
„Die lacht is overwonnen,” dacht ze blij. „Nou moet ik oppassen met m’n tempo, ’t Kwaje is, dat ik ’m razend graag even zou knuffelen, dien ellendelaar van een ijspegel van me.”
„Ik heb de laatste dagen weer fijn kunnen werken,” zei ze.
„Vandaar de lankmoedigheid,” dacht hit en ’t stemde hem onprettig.
„Waar ben je mee bezig?”
„Zal ik je straks wel laten zien, ’t is al af.”
„Ik wou, dat ie opschoot met eten,” dacht ze vol ongeduld. „Hij eet anders nooit zooveel. Ik geef geen fruit na, dat scheelt weer.”
Natuurlijk vroeg Lodewijk, die het nu weer ge-noegelijk aan tafel zitten wilde rekken:
„Krijgen we geen fruit je toe?”
Ze kon het niet langer uithouden, toen hij langzaam een appel in partjes sneed.
„Lo,” smeekte ze, „schiet een beetje op, ik wil je zoo dolgraag m’n werk laten zien.”
„O, had dat maar eerder gezegd,” zei hij koel. Hoe kon ze nu dit eerste weer genoegelijk samen zitten verstoren. Het werk bleef toch maar nummer een bij haar.
„Kom dan maar,” zei hij, toen hij haar hunkerende oogen zag.
Ze holde hem voor naar het atelier, waar ze de