201
alleen af en toe een korte op- of aanmerking.
Op het einde van den vierden dag stond ze fel bewogen voor de beide portretten, die leefden.
„Je hebt jezelf overtroffen, Correkind,” zei ze en haar stem klonk ontroerd. „Ik kan Lo er om benijden. Het is of ze naar het leven geschetst zijn.”
Corry, dol gelukkig, beloofde: „Als jij trouwt, lieverd, zal ik probeeren voor jou pastels te maken, die je ook bevredigen.”
Mary lachte een half verlegen, half schelmsch lachje.
„Kind, wat is er?” vroeg Corry, die, zooals ze naderhand beweerde, rook, dat er een geheim in de lucht zweefde.
„Weet wat je belooft, Corretje,” zei Mary en heel haar lief, vredig gezichtje werd met een blos overtogen.
„O, er is wat! Zeg het me! Ik sterf van nieuwsgierigheid. Wie is het?”
„Kun je ’t niet raden?”
Corry dacht even na, liet de kennissen-rij van Mary de revue passeeren.
„Ik weet het! Dokkie twee natuurlijk!”
Mary knikte.
„Goeie genade, wat een stiekemerds zijn jullie toch,” zei Corry ’n beetje boos. „Dat is maar allemaal achter me om gegaan.”
„Vlieg nu niet direct weer op. Hij heeft me pas gisterenavond gevraagd en we wilden jullie vanavond het heugelijk nieuws komen vertellen.”
„Wist maatje het?”
„Zou je me nu eerst niet eens wat hartelijks