198
houden en ik verzeker je, dat dit niet in m’n bedoeling lag.”
„Och, ik ben een naarling! een ontevreden schepsel en die arme Lo zal het wel vreeselijk betreuren, dat hij zóó’n vrouw heeft getrouwd,” snikte ze en dan opeens met een schrik: „Waar zijn jullie gedienstigen?”
„O, die zijn boven bezig, stort jij gerust je hart maar eens uit, liefje.”
Dat was weer de oude maatje’s toon en Corry, als een poes, wreef zich dicht tegen de witte jas aan.
„’t Was allemaal zoo vreemd in het begin, zoo heel anders dan m’n vrije leventje van vroeger. Ik moet nu in het gareel loopen en u weet wel van vroeger, maatje, dat kan ik niet! En met m’n werk ging het ook al niet meer. Gewoon een wanhoop! Nou en toen ben ik de dolste dingen gaan doen en er is nu zoo’n vreeselijke afstand tusschen Lo en mij. ’t Kan nooit meer goed worden, nooit meer!”
Maatje en Mary wisselden oolijke knipoogjes. „Kom, kom, overdrijf niet zoo, opgewonden standje! Je ziet nu zelf in, dat ’t een onhoudbare toestand is en je hebt ook zelf gevonden, wat er de oorzaak van is. Je zult heusch wel een weg vinden om alles weer te krijgen zooals ’t was toen jullie pas getrouwd waren. Ik ken mijn Corretje, ze moet het allemaal even uitvechten en dan pas krijgt Lo een vrouwtje zooals hij zich z’n Corre-kind gedroomd heeft.”
„Geloof jij dat ook, Mary?” vroeg Corry, de betraande oogen naar haar schoonzus opgeheven.