197
naar de Weckerlingen!”
Ze stevende keukenwaarts.
„Wat een beweging!” hoonde ze, toen ze binnenkomend, maatje en Mary in witte jassen met talrijke flesschen en gummiringen in de weer zag. „En wat een weeïg zoete lucht hangt hier!”
„Kindje,” begroette maatje haar met een harte-lijken kus. „Gezellig, dat je er bent. We zijn gauw klaar. Blijf je een boterhammetje bij ons eten? Mereltje blijft ook.”
„Twee dochters is teveel,” viel Corry uit.
„Dan zal ik wel verdwijnen,” zei Mary.
„Correkind, doe niet zoo idioot. Je hebt nu lang genoeg geboudeerd, ondeugend nest,” zei luchtig maatje.
„Waarom lieten jullie me zoo in den steek!” barstte Corry plotseling in een huilbui los.
„Lieve schat,” zei maatje, terwijl ze het weerbarstige hoofd vast tegen haar witte jas aandrukte. „Je was den laatsten tijd zóó onaardig, ’t Leek me heusch beter te wachten tot je weer eens jezelf werd.”
„En Mary, die engel van goedheid, was ’t natuurlijk roerend met u eens, die vermeed ons huis ook maar.”
En toen Mary hier niets tegen inbracht, snauwde Corry:
„Waarom kom jij nooit en zit je eeuwig bij maatje? Je doet maar alsof er geen Corry bestaat.”
„Ik heb eenige keeren toen ik bij je was den indruk gekregen, dat je me liever niet ziet en in de veronderstelling was, dat ik alleen maar kom om te kijken of alles wel goed gaat in je huis