196
plaagde hij.
„Vijf en veertig spie en dan is ie nog niet eens vast!”
„Allemachtig, je valt me mee.”
„Waar is maatje?”
„Die is met Mary aan het wecken,” zei haar vader. „Ga ze maar wat helpen.”
Alle zon was plotseling uit Corry’s gezicht geweken.
Had ze ’t niet geweten! Die waren natuurlijk weer bij elkaar. Ze had grooten lust om ’m maar weer te piepen.
„Maatje zal blij zijn, dat je weer eens verschijnt, ga maar gauw naar haar toe.”
„Och, ze kunnen me missen als kiespijn, denk ik.” „Corry, kom eens bij me,” zei dokkie. „Laat me je pols eens voelen, je bevalt me niet.”
„Zie ik er slecht uit? Ik verval als sneeuw voor de zon!”
Dokkie, heel ernstig, voelde haar pols.
„Steek je tong eens uit, mekind.”
Corry liet een fermen, rooden lap zien.
„Een bitteren smaak in je mond?”
„Heelemaal niet,” zei ze verwonderd.
„Vreemd!” Z’n ondeugende oogen tintelden. „Ajakkes, wat doet u griezelig. Wat scheelt me dan?”
„Je hebt... een tikje ... Febris Jalouzitica en dat gaat gepaard met een bitteren smaak,” lachte hij.
„Die zit, meisje!” lachte haar vader.
„Wat zijn jullie geestig!” zei een beetje in haar wiek geschoten, Corry. „Nou, ik ga maar eens