191
Het was olie op ’t vuur en Corry’s ontstemming werd hoe langer hoe grooter.
„Ja,” viel ze uit, „en nou zitten die brave engelen zeker dag in dag uit bij elkaar en roepen ach en wee over Corry, die uithuizige slons van ’n vrouw, zoo héél, héél anders dan lieve maatje en Mary, moeder en dochter!”
„Wat is u vanavond nerveus! Scheelt er iets aan?”
„Ik nerveus? Dokter, hoe kom je er bij! Ik amuseer me schoon en ik ben in een fluweelige bui!”
Hij dacht er het zijne van en was blij, toen de dans ten einde was en hij bij Lodewijk kon gaan zitten.
„Corry!” riep Els Kaanter, „kom even rustig zitten. Ik kan gewoon niet meer!”
Corry was juist bezig voor Hans Forster een apachendans te demonstreeren, zooals ze dien in Parijs gezien had.
„Admirèbel!” moedigde Hans haar aan en Corry, hoe langer hoe overmoediger, danste als een wasch-echte apachenmeid.
„Corry!” Lodewijk’s stem beefde. „Houd op met dat onzinnig gedans!”
Het hoofd uitdagend achterover, de armen op de borst over elkaar geslagen, zóó keek ze hem spottend aan.
De gasten wisselden blikken van verstandhouding en Lodewijk voelde het.
Daar sloeg de klopper op de huisdeur.
„Dat zal Mary wel zijn,” Corry zei het hoonend.
Maar ’t was Walter, die nog even kwam op-