192
loopen en heel verbaasd was de familie aan het dansen te vinden.
„Je hadt me wel eens kunnen inviteeren, schoone-zus!” plaagde hij.
„Je komt anders ook niet,” zei ze stug.
„Ik heb nogal veel tijd! Ik zit voor een miserabel tentamen en werk, dat de stukken er af vliegen.”
Corry ging bij hem zitten.
„Mary heeft ’t zeker ook te druk,” zei ze verbeten.
„Zeg es, mevrouw Martens, de liefde kan niet van één kant komen. Jij verschijnt ook nooit. Maatje klaagt steen en been.”
„O, missen ze me nog, de engelen. Valt me nog mee van ze.”
Walter keek haar eens oplettend aan.
„Wat is er met jou, Correkind?”
De hartelijke toon maakte haar direct week en ze kampte met opkomende tranen.
„Ik ben zoo’n ellendelaar, Walti,” fluisterde ze. „Dat heb ik in de gaten. En Lodevicus ziet er ook niet fleurig uit. Waarom heb je hier zoo’n bende? En die vervelende Hansje! Laat ze opkrassen, dan kunnen we eens samen parlefinken, meisje.” „Walti, ik ben zoo’n nietsnut. Ik kan niet meer schilderen en voor het huishouden deug ik ook niet en ik maak Lo dóód en dóód ongelukkig.” „Och, cheer up, malle Mie! je hebt ’t te kwaad met den omkeer in je leven en daar moet je even tegen op vechten. Komt allemaal best in orde, mevrouw Martens! doe nou maar niet zoo overmoedig en steigerend, want daar meen je toch