189
In een ommezientje was ze weer beneden en ze zag er uit als een klein duiveltje, in een avondjurk je van vuurroode crêpe georgette, met een losse slip om den hals geslagen, die met een rood fluweelen bloem was vastgehecht.
„Vooruit, mannen, helpen!” dirigeerde ze hen. „Over een kwartiertje zijn ze er. Lo, help even
het kleed oprollen en dokter, zet u de stoelen
aan den kant. De gramofoon hier in dien hoek.
De lamp naar boven. Fijnsmans! de boel komt
voor elkaar. Wat moet ik ze te drinken geven Lo? Maak jij even wijnflesschen open?”
Ze marcheerde naar de keuken, gaf bevelen aan Lize en toen de gasten kwamen was alles klaar en het gast vrouwtje in een zoo vroolijke stemming, of er geen wolkje aan den hemel was.
„Wat een knal-idee van jou, om zoo hoop-stoop een dansfuif in elkaar te timmeren,” zei Els Kaan-ter. „Net iets voor jou!”
„Ja, heugst origineel,” beaamde Hans Forster. „M’n zuster laet zich excuseeren. Gaen we dansen, mevrouwtje? De eerste cherleston met u.” Hij boog voor Corry.
Dokter Bremer leidde Els Kaanter ten dans, haar man en Lodewijk bleven praten.
„Jammer, dat we zoo weinig dames hebben,” zei Corry.
„Jemmer!” zei hij verontwaardigd, „Ik vind ’t zaelig! Nu heb ik steeds het veurrecht om met u te dansen.”
„Hè, klier!” dacht Corry en ze keek wrevelig naar het ineengeperste mode-kereltje dat er zoo weinig mannelijk uit zag.