187
Met een sprong was ze van den stoel en de sigaret tusschen haar lippen, begon ze thee te schenken.
„Dokter,” zei ze nonchalant, terwijl ze met het theeblaadje naar hem toe zeilde, „er is een rivier onder uw kopje, niet zoo héél erg, hè? bij het tweede zal ik beter oppassen.”
Lodewijk ergerde zich groen. Waarom had ze niet even een ander schoteltje er onder gezet?
Ze stak een tweede sigaret op, blies prachtige nulletjes de lucht in.
„Dokter! waar blijft die beloofde dans-avond?” vroeg ze.
„Heb ik u iets beloofd, mevrouw? Dat herinner ik me niet.”
„Toen u dien middag bij me was, vroeg ik u een dansavond in mekaar te draaien. Weet u niet meer?”
„U vroeg,” lachte hij, „maar ik beloofde niets. Ik heb ’t de laatste twee weken heel druk. Er zijn ’n boel zieken op het dorp en dit is eigenlijk de eerste rustige avond.”
„Dan dansen we vanavond,” besliste ze. „Ik bel even ’n paar lui op. Zalig! Wie zullen we vragen? De de Geertjes en de Kaanter’s, dat leuke stel en, hoe heet ie ook weer, hij danst hemelsch, Hans Forster. Als ze nu maar thuis zijn! Eenig, zoo’n geïmproviseerde huppel-partij! Ik bel ze even op.”
Dokter Bremer voelde zich zeer onbehagelijk en nam zich voor, de eerste drie maanden niet in de Perelaer te verschijnen.
„Als je Hans Forster inviteert, wil je z’n zuster zeker wel mee vragen,” zei kort Lodewijk.