185
ze vaak zoo’n ouderwetsch begijntje!”
„Corry!” Hij was aan ’t einde van z’n beheer-sching.
„Ja, Corry! Corry! En ik zal je dan maar zeggen, dat ik iederen keer weer naar Amsterdam zal gaan als ik me hier ongelukkig en naar voel.”
Zijn bleek gelaat pijnigde haar en ze had hem wel berouwvol om z’n hals willen vliegen, maar Corry was nu eenmaal op hol geslagen en dan draafde ze door, zag ze geen goed of kwaad meer, net als een jong paard, dat nog niet gewend is aan den nieuwen meester.
Lodewijk was diep gegriefd, ’t Was niet bij hem opgekomen, dat Corry zich in hun heerlijk nestje niet gelukkig zou kunnen voelen. Met zooveel liefde had hij alles uitgezocht, zooals hij dacht, dat zij ’t graag had.
O, hij had wel vooruit geweten, dat, zijn leven met Corry geen onbewogen meertje zou zijn, het alles heel anders zou gaan als thuis bij de merel.
Maar had niet juist dat vrije, ongedwongene van Corry, dat heel andere in haar wezen hem zoo machtig aangetrokken?
Een Corry, die zich echter na een maand al zóó zou vervelen, dat ze afleiding buitenshuis ging zoeken, had hij zich niet gedroomd. Wèl een grillige Corry, vol spontane opwellingen, een heerlijk natuurkind, dat alleen maar af en toe eens geremd moest worden.
Hij streek vermoeid met z’n hand over het voorhoofd en Corry’s hart kromp ineen.
Had ze nu maar naar hem toegegaan, «ven zachtkens over z’n hoofd gestreken...