183
en weer liep, hoorde den kreet en een zucht van verademing ontsnapte hem.
Maar hij ging haar niet tegemoet.
Corry, het ondeugende hoofd door de halve deur stekend, pruilde:
„Hoor je me niet? Ik roep al een half uur oe — oe — hoe!”
De tafel stond gedekt en de groote staande klok wees zeven uur.
„Waar ben je zoo lang geweest?” vroeg hij, terwijl hij haar mantel af nam.
„Ik was naar Amsterdam met de de Geertjes. Ik heb je nog opgebeld, maar je was al weg.” „Ja, ik ben al om twee uur weggegaan, ik dacht je te verrassen.”
„O, daerest!” zei ze berouwvol. „Hoe ellendig! Maar dat kon ik toch niet weten.”
„Had je boodschappen te doen?”
Daar kwam het! Corry voelde het naderen en ze vreesde het.
„Och neen, niet bepaald. We hebben ’n beetje gewinkeld, naar een najaarskiepie gekeken. Leuk, zoo’n beetje rond te hannessen in stad.”
„En heb je je daardoor zoo verlaat?” vroeg hij streng, want hij voelde iets, dat minder onschuldig was dan hoedjes koopen.
„Zeg, doe niet zoo frikkerig!” viel ze uit. „Ik ben geen kind van twaalf, dat zich laat kapittelen.” „Willen we aan tafel gaan?” vroeg hij koel. „Neen, ik heb geen eetlust! Ik heb een uitgebreide thee genoten! Nu weet je ’t.”
Ze wilde haar hoed en mantel meenemen en naar boven gaan.