182
gegaan? Misschien voelde hij zich niet zoo prettig. Vanmorgen had hij er ook niet te best uit gezien. Jakkie, wat duurde die reis lang! En ’t was waarachies al bij half zeven! Ze kon niet vóór zeven uur thuis zijn. Stom, dat er ook zoo weinig treinen naar dien vervelenden uithoek gingen!
„Ik geloof, dat je nu zelf in den knoei zit,” plaagde Dolly.
„Bê-je mal schaap! ’t Was toch dol gezellig! Of niet?”
„Ja, ik vond het razend leuk. Zeg, die danseur van mij, zag je hoe mal die z’n eene schouder optrok onder het dansen?”
„Ja, hij kronkelde zich als een aal en ik was doodsbenauwd, dat hij je, net als een slang om z’n prooi, al dansende mortibus zou drukken.”
„Die van jou was veel leuker.”
„Een dot gewoon! En zoo’n onderhoudend causeur! Hij zei twee keer, dat er zoo’n goede ventilatie was. Verder zweeg ie!”
Corry deed gewild vroolijk. Hoe dichter ze bij huis kwam, hoe onrustiger ze werd.
„Ik wou, dat ik m’n enkel verstuikte, of van de treeplank kuukelde en een gat in m’n bol viel. Zou lieve Lo direct één en al zorg voor me zijn,” dacht ze.
Maar noch ’t een, noch ’t ander gebeurde en na een vroolijk afscheid van de zusjes liep ze met het hart in de schoenen Perelaerwaarts.
„Oe — oe — hoe!” riep ze. Het was de gewone kreet, waarmee ze haar man verraste als hij zat te werken en zij van een wandeling thuis kwam. Lodewijk, die in dé boerenkamer onrustig heen