179
Hij verwachtte Corry uit het huis of den tuin te zien rennen, maar alles bleef stil.
Toen hij den wagen in de garage had gebracht, keek hij door de ramen. Geen Corry te zien. Hij koerste naar het atelier. Dat zag er uit, of er nooit iemand werkte.
Toen naar Lize, die aan het strijken was.
„Mevrouw is een uurtje geleden met twee dames uitgegaan,” berichtte deze.
Lodewijk ging naar de boerenkamer, belde maatje op. Daarna Mary. Neen, ze hadden haar niet gezien.
Hij liep den tuin eens in. Z’n prettige stemming begon te zakken. Hij had zich zooveel voorgesteld van de verrassing.
Hij ging naar z’n werkkamer, probeerde wat te werken, maar z’n blikken gingen telkens door het open raam naar het witte hek, waardoor hij hoopte Correkind te zien binnen komen.
Maar die amuseerde zich vorstelijk.
Ze hadden eerst gewinkeld, alle groote modemagazijnen afgeneusd, schoenen gekocht, herfst-hoedjes gepast en Corry, die in een van haar uitgelaten buien was, had iedereen doen schateren.
„Nou gaan we fijn ergens zitten, waar muziek is,” stelde ze voor.
„Kunnen we dat doen, zonder heer?” vroeg bedachtzame Elly.
„Vlieg op, buutenknol! Je bent van een eeuw terug, zeg!” en Corry troonde hen mee naar een van die mondaine café’s waar ’s middags gedanst wordt.
„Drie thé’s complets,” bestelde Corry. „Dat is
12*