177
De de Geertjes schaterden.
„Je bent me een type!” vond Elly.
„Fijn, dat je niets veranderd bent.”
„Niets veranderd!” brulde Corry, „Ik ben gewoon binnenste buiten gekeerd! Ik lééf voor me huishouden. Ik wéég het vleesch! Ik weet, dat Blauw, de groentenman twee heele centen meer voor een bloemkool rekent, dan z’n collega Boom. Ik word een huissloof en ik heb ’n afschuw van m’n atelier! Een getrouwde vrouw mag alleen maar aan haar huishouden denken.”
„’t Is erg met je!”, spotte Dolly. „Je bent ’n beetje melig, lijkt ’t me. Waarom zit je ook zoo in huis te bakken?”
„Ik weet, ’t niet. Ik geloof, dat ik ’n ziekte onder m’n leden heb. Misschien wel ’n heel erge!” „Ja, dat geloof ik ook!” schaterde Elly. „Je ziet er uit als Neerland’s welvaren! Vooruit! laat ons je heele hebben en houden zien en dan gaan we wat wandelen.”
Corry kikkerde heelemaal op en, ze genoot van de bewondering van het tweetal voor haar huis en have.
„Corretje, je bent een gelukskind,”, zei Dolly, toen ze teruggekeerd waren en zich in de serre als poesen in de zon koesterden.
„Ja, dat, bèn ik,” gaf ze toe, „en Lodewijk is zoo’n geweldige schat voor me, maar... ’t is hier wel stil, hè? en ik mis wel vreeselijk al m’n gezellige kornuiten van Montparnasse! Zeg, willen we met ons drietjes even naar Amsterdam wippen?” vroeg ze in een van die plotselinge opwellingen, die ze al dien tijd van haar getrouwd zijn
In het Gareel. 12