176
niet. Bah! wat een vervelend leven had ze eigenlijk. Ze snakte naar Parijs, naar Montmartre, Beaux Arts en, de heele kliek daar!
O, wat hadden ze ’t toch dol gehad. Was ze eigenlijk niet stapel geweest, om dat heerlijke leventje zoo gauw op te, geven. Hadden ze ’t haar niet allemaal af geraden? Zélfs maïtre Brulot had gezegd, dat ze nog best een jaartje kon blijven werken.
Maar zij, met d’r overhoopen kop, had natuurlijk weer doorgehold.
En nou zat ze hier en kon niet werken en ze lieten haar maar alleen en zaten daar bij maatje op een kluitje bijeen.
Warme tranen drupten op de kussens van den divan.
De klopper op de huisdeur viel met een harde bons neer.
„Hemel! visite!” schrok ze en ze droogde haastig haar tranen.
Ze maakte de deur open.
„O! wat gezellig! Zijn jullie daar, engelen! Kom binnen. Ik was net aan het krijten van landerigheid.”
De tweelingen, Elly en Dolly de Geer stapten naar binnen.
„O, Corry, wat heb je ’t hier razend gezellig! We moesten, in je buurt zijn en konden onze nieuwsgierigheid niet bedwingen! ’t Is geen uur om te komen, hè?”
„Kinderen, je bewijst me een weldaad! Je redt me van een wissen dood! Ik had al plan om me in den eendenvijver het leven te benemen!”