174
Corretje nog niet.”
„O, je weet niet half, hoe’n naarling ik ben! Als ik niet werken kan, zul je spul met me beleven Loekie! dan word ik een onverdragelijk wezen.” „Dat ben je nu al,” lachte hij. „Is me dat een snuit om je heer en meester te ontvangen? Gauw lachen, of ik ga weer naar „de Brem” terug.” Maar het pretje viel niet in goede aarde.
„O, daar zul je gauw genoeg naar terug verlangen. Mary heeft jullie zóó verwend en ’t was alles zóó ideaal in „de Brem,” daar kan ik toch niet tegen op concurreeren.”
„Cor, je bent kinderachtig. Ga je maar gauw verkleeden, dan wandelen we naar het mannen-heim. Maatje zal je wel weten op te kikkeren.” „Goeie hemel, alwéér verkleeden! Dat is de vierde maal vandaag. In Parijs bleef ik lekker den geheelen dag in dezelfde jurk, alleen maar m’n werkkiel erover heen bij het werk.”
„Ja, in Parijs was alles veel heerlijker, dat weten we nu al,” zei hij een beetje bitter.
„Lootje,”, ze vleide haar hoofd tegen hem aan. „Itte heeft ve’driet!”
„Malle meid,” zei hij verteederd. „Waarom dan?” „Ik ben aan alle kanten ontevreden over mezelf.” „Een kriebelend geweten, geloof ik,” plaagde hij. „Ja!” viel ze uit. „Mary is m’n geweten! Als die hier komt, dan weet ik ineens al m’n tekortkomingen. Ik mag niet alles overlaten aan Lize en ik moet wel alles zelf regelen en o, Loekie, ik weet het wel, maar ’t is zoo moeilijk. Ik snak naar m’n werk en... en ik voel niets{ voor al die huiselijke beslommeringen. Wat moet ik nou toch doen?