173
zoek.”
„Komt de geliefde Jannie veel bij je?”
„Ja, nu meer dan een tijdje geleden. Ze is heusch wel lief.”
„Een schat, hoor! Vooral tegen mij!”
„Kom, ik ga er van door, ik heb Walti beloofd flensjes te bakken. Jij moet toch zeker ook nog voor ’t een en ander zorgen.”
„Reken maar!” lachte Corry.
Ze wilde Mary een eindje op brengen, kuierde het tuinhek met haar uit.
„Corry!” Mary’s oogen stonden strak.
„Wat is er?”
„Je kunt toch zóó niet door het dorp loopen!” Ze wees op den sierlijken tea-gown.
„O, neen, da’s waar ook! Wat een gezanik, dat telkens verkleeden. Nou, gedaag! tot vanavond.” Toen Lodewijk dien middag thuis kwam, vond hij een zwijgzame Corry.
Wanneer hij haar iets vroeg, bleef ze het antwoord schuldig en stelde hij z’n vraag nog eens en op iets luider toon, dan schrok ze.
„Correkind, wat is er? Waar zit je zoo over te piekeren?” vroeg hij.
„M’n werk vlot niet,” zei ze triestig. „Ik heb ’n gevoel, of ik nooit meer goed zal kunnen werken.” „Kom, wat ’n onzin. Laat het werk maar eens rusten. Als je er dan na een tijdje aan begint zul je zien, hoe ’t weer vlot.”
„Ik heb m’n werk al veel te lang laten rusten, dat is de zaak. Ik ben er uit! Dat komt nou van al dat bruiloftgedoe!”
„Je bent een mopperpotje. Zóó ken ik mijn