172
animeerde bende bijeen.”
„Ik zal m’n best doen, mevrouw,” beloofde hij. „Hoe gaat ’t met Lize?” informeerde Mary, toen hij weg was.
„Vorstelijk! Ze heeft gisteren aanbiddelijk ge-kokereld en ze zorgt overal voor. ’t Is heusch een pronkepuntje!”
„Je kunt toch niet teveel aan haar overlaten,” waarschuwde Mary. „Ze is nog zoo jong en ze is niet al te precies.”
„O,” zei Corry en ze voelde weer gaap-neigin-gen. „Van twee dagen kun je nog zoo weinig zeggen.”
„Neen, dat is zoo. Als je maar alles regelt en haar werk precies nagaat, dan heb je een juweeltje aan haar, want ze is gewillig.”
„O ja? Zeg, kom je vanavond ook bij Maatje? Wij gaan er heen.”
„Ja, Walter en ik komen ook. Wat is ’t er een hemeltje geworden, sinds maatje den schepter zwaait. Je vader en dokkie stralen van tevredenheid en wat zien ze er goed uit!”
„Mereltje, heb je ’t niet erg stil op de Brem?” „Och, zoo. We hebben er eerst over gedacht om toch naar Amsterdam te gaan wonen, maar toen puntje bij paaltje kwam, vonden we ’t allebei afgrijselijk. We zijn zoo gehecht aan ons lieve, oude huis.”
„Ja, maar, ’t is veel te groot voor jullie, ’t lijkt me zoo eenzaam voor je zoo’n heelen dag in dat groote huis.”
„Welneen, de dag is zoo om, er is zooveel te doen, ik verveel me nooit en er komt vaak be