171
kaart, dokter Bremer, die in stee van z’n patiënten te bezoeken, piano voor haar speelde.
„Dat nou net Mary moest komen,” dacht Corry, die de ontstemming voelde.
„Ik heb dien man hier naar toe gesleept,” trachtte ze onbevangen te doen. „Ik was melig!” „Nu al?” Mary zei het snibbiger dan haar gewoonte was.
„Zijn die mooie bloemen voor mij ?” vroeg Corry. „Ja, je houdt immers zooveel van dahlia’s.”
„Je bent een schat! Ik ga ze even in dien Keul-schen pot zetten. Schenk jij dan thee en geef dokkie den tweede ook nog een bakkie, want op die voorwaarde heeft hij voor me gespeeld.”
Mary trok bij. Ze moest trachten Corry maar te nemen zooals ze was.
„Nog vijf minuten,” zei dokter Bremer, toen hij het beloofde kopje thee van haar aannam en meteen constateerde, hoe every inch a lady Mary er weer uit zag. Het deed hem prettig aan, na Corry’s al te groote nonchalance.
Deze had, terwijl ze den Keulschen pot met water ging vullen, de gelegenheid benut, om even van kleeren te verwisselen en ze kwam te voorschijn in een hel-rooden tea-gown met gouden draken geborduurd.
„O, wat een beeldig ding!” bewonderde Mary. „In Parijs van Lo gekregen, ’n Engel, hè?” Dokter Bremer nam nu afscheid, na beloofd te hebben gauw een avondje te komen.
„We moeten wat gezellige jongelui zien op te diepen voor een dansavond,” zei Corry. „Ik heb in tijden niet gehupst! Dokter, trommel een ge