169
omheen de boerenstoelen stonden, met de kussens, door Maatje en Mary gewerkt, in oud patroon.
„O!” gaapte ze, „wat is het hier genoegelijk, maar ik wou, dat er iemand kwam opdagen.”
Ze stond op, slenterde door de aangrenzende groote kamer, bleef voor alle mooie, oude meubels staan, tuurde naar het kabinet, naar het hoekkastje met het antieke scheepje er op, naar de balustrade waar de mooie Persjes over hingen, sloeg den vleugel open, tikte een paar tonen aan, zette zich in de serre schrijlings op een stoel neer, gaapte weer en eindigde met haar fiets uit het fietshok te halen en de hei op te peddelen.
Het deed haar goed en ze voelde zich weer de oude Corry.
Op den terugweg zag ze een fietser voor zich uit rijden, waarin ze dokter Bremer herkende.
„Hallo!” brulde ze achter hem aan.
Hij keek om, reed haar tegemoet.
„Mevrouw Martens!” begroette hij haar verrast.
„Dokkie de tweede, ga mee naar m’n kluis, drink er thee en speel wat voor me. Ik was bijna overleden van verveling.”
Hij lachte, keek op z’n pols-horloge en:
„Goed, een kwartiertje dan.”
Hij keek haar onder het naar huis rijden wat spottend aan.
„Waarom kijkt u zoo?”
„U is zeker in werk-tenue uitgegaan,” veronderstelde hij.
Corry schoot in een lach.
„Dat is de limit!” schaterde ze. „M’n werkjas! O, wat ben ik blij, dat m’n man het niet ziet!”