167
NEGENDE HOOFDSTUK.
De bewoners van „de Perelaer” waren van hun huwelijksreis terug.
Corry had gejuicht toen ze alles weerzag, nu in herfsttooi.
Bloed-rood rankte de wilde wingerd om het huis en het latwerk van de pergola leek wel in vlam te staan.
„Wat een weelde!” zuchtte ze. „Waar moet ik het eerste aan beginnen.”
„Maar, liefste, alles is in orde,” zei Lodewijk. „Je hoeft de eerste week zeker geen zorg te hebben voor je huishoudentje.”
„Och, boy, je begrijpt me verkeerd,” ontnuchterde Corry hem, „ik bedoel het doek waar ik mee zal beginnen.”
Hij lachte eens, gaf haar een kus en stapte in z’n wagen om naar stad te rijden.
Corry, nadat ze hem nagewuifd had, holde het huis in, regelrecht naar de keuken.
„Lize,” dit tegen de gedienstige, „denk er aan, ik ga aan het werk, ik wil door niets of niemand gestoord worden, ’t Is een gouden dag vandaag en dat licht moet ik benutten.”
„Wil mevrouw dan even de boekjes voor de leveranciers invullen en zeggen wat er vandaag gegeten moet worden?”
„Je doe maar, Lies! Dat weet je zelf welkeurig-jes te bedenken, hè? Gedaag, hoor!”
Weg was ze en ze ging op een holletje naar een