165
„O, wat beeldig! Hoe heeft u dien sluier zoo mooi kunnen modelleeren? Toch wel fijn, zoo’n witte geschiedenis! Ik zou er best een croquis van willen maken.”
Maatje, die vol ontroering naar haar gekeken had, schoot bij die woorden in een schaterlach.
„Zoo’n type als jij bent, moet er nog geboren worden!”
„Moet ik nu al dien tijd op dat witte laken blijven staan?” vroeg het slachtoffer.
„Ja, tot de auto’s voorkomen, juffertje ongeduld.”
Corry dacht, dat er geen einde kwam aan dien morgen en ze vond het een welkome afleiding, dat de bruidsmeisjes door maatje naar binnen gegoocheld werden.
„O, wat schattig!” riep ze uit.
Twee meisjes, van tien jaar, blondjes, in tot op de voetjes vallende jurkjes van zacht-rose tafzijde, op het hoofd kapjes van zilverkant, in de handen van die ouderwetsche, ronde bouquetjes van rose rozen, met stijven witgeschulpten rand er omheen en lang afhangende linten in rose en lila, maakten een knicks voor de bruid.
„Maatje, wat heb je dat weer razend fijn bedisseld,” zei Corry dankbaar.
Van beneden kwam het sein, dat de auto’s voor waren en de bruigom z’n bruidje wachtte.
„Nu voorzichtig aan, bruidsmeisjes,” dirigeerde maatje.
Voetje voor voetje ging de bekoorlijke bruid met haar gevolg de trap af en de kamer in, waar kreten van verrassing opgingen.
Toen voelde Corry zich beloond, voor „de mar