164
frère, tot straks!”
„Poppetje gezien, kastje dicht!” zei maatje en ze loodsde Corry naar binnen en sloot de deur achter haar dicht.
„Doe jullie nou maar met me wat je wilt!” zei de bruid en liet zich als een ledepop in een stoel neervallen.
„Ik voel me zoo wee!” was ’t een half uur later. „Al dat gefrunnik ben ik niet gewend! O, wat ben ik dankbaar, dat ik maar eenmaal de bruid hoef te zijn!”
De chique naaister en haar helpster lieten luchtigjes het wondertje van zijde en kant over haar heenglijden, schikten met liefkozende vingers den sleep.
„Nu de sluier.”
„Doet u niet zulke dotten aan weerskanten van m’n hoofd?” vroeg Corry. „Anders ben ik net een wieg!”
„U zult tevreden zijn.”
„Vallen er wel eens bruiden flauw?” informeerde Corry.
De naaister keek haar angstig aan.
„Voelt u u niet goed?”
„O, kip-lekker! maar ’t kon soms zijn, van ’t lange staan.”
De naaister keek spinnig, vond de bruid een ondankbaar wezen.
„Kijkt u nu eens in de spiegelkast,” zei ze, toen de sluier eindelijk viel, zooals ze het hebben wilde.
Corry deed wat haar bevolen werd en toen ze haar spiegelbeeld aanschouwde, zei ze, en ’t was of ze over een ander sprak: