163
hadden en niet twijfelden aan „het beelderige complet van beige met den dot van een hoed, een tint lichter,” die Corry hen al eenige malen voor geschilderd had.
„Maar,” zei ze dan, „jullie moogt ’t niet van tevoren zien, ik kom in vol ornaat te voorschijn „als de bakkies voor binne.”
De trouwdag kwam. Een stralende Septemberdag, warm als in Juli.
In „de Brem” heerschte al vroeg een groote drukte. Iedereen was gejaagd, behalve de bruid, die in een kimono aan het ontbijt verscheen en — Mary zag het met ware ontzetting aan — even veel boterhammen naar binnen werkte als anders.
Ze vond het bar ongezellig, dat ze allemaal zoo opgewonden deden en eischte, dat er tenminste iemand bij haar bleef zitten. Waarop Walter zich maar over haar ontfermde en een weddenschap met haar aanging, wie de meeste boterhammen op kon.
„Die arme Lodevicus, die uit huis verbannen is, omdat hij zoo noodig z’n bruid moet komen halen!” spotte Corry. „Daze inrichting, zeg!”
„Natuurlijk heeft ie alles en nog wat vergeten en komt hij straks half gedresd naar binnen waaien!” „Ka-je denken! de merel heeft z’n bullen ingepakt gisterenavond.”
„O, dan is ’t all right!”
„Corry!” riep maatje, „ben je nu nog niet klaar? Je moet nu heusch boven komen.”
„Vooruit dan maar! O, wat heb ik een slaap! ’t Was me hier vanmorgen een herrie in huis! Om zeven uur waren ze al aan het stofzuigen! Nou,
11*